Milieukwaliteit: Datakwaliteit, terugmelding en valideren
Als een veldwerker een verhardingslaag, zoals een oprit, wil registreren als bodemlaag bij een boorprofiel, vraagt dat extra aandacht. Technisch gezien is het geen bodem. De samenstelling van deze laag is meer dan 50% bodemvreemd materiaal. Benoem je dit in het boorpofiel toch als grond, dan krijg je een foutmelding.
Als een veldwerker een verhardingslaag, zoals een oprit, wil registreren als bodemlaag bij een boorprofiel, vraagt dat extra aandacht. Technisch gezien is het geen bodem. De samenstelling van deze laag is meer dan 50% bodemvreemd materiaal. Benoem je dit in het boorpofiel toch als grond (paragraaf 6.3.10 in de BRO SAD catalogus) en niet als bijzonder bestanddeel (paragraaf 6.3.12 in de BRO SAD catalogus), dan krijg je een foutmelding in de validatie van de xml.
Wat moet je wel doen? Binnen de voorschriften voor het beschrijven van boorprofielen wordt een verhardingslaag als bijzondere en bodemvreemde bestanddelen geregistreerd (zie NEN 6693 paragraaf 8.2.2 en hfd 9). Vul in het boorprofiel bij de verhardingslaag dus geen grondsoort in, maar benoem het verhardingsmateriaal als bijzonder bestanddeel (zie paragraaf 7.5 van de BRO SAD catalogus voor een lijst van alle type materialen die daarbij kunnen worden ingevuld), en vul bij de hoeveelheid ‘volledig’ in (zie paragraaf 7.6 van de BRO SAD catalogus voor de opties).
Als je gebruikmaakt van TerraIndex dan heeft TerraIndex hiervoor een nadere instructie voor hoe dit in hun applicatie ingevoerd kan worden. Neem voor meer informatie contact op met hun servicedesk (service@terraindex.com).
Dit is inderdaad mogelijk. De BRO zal data dus altijd voorzien van een ‘timestamp’. In de communicatie zullen we erop wijzen dat in het gebruik van milieudata materiekennis noodzakelijk blijft. Dit is vergelijkbaar met de manier waarop bijvoorbeeld Bodemloket de data presenteert.
Er is een overzicht beschikbaar, zodat je kunt nagaan welke waarden niet worden ondersteund. Deze kan je voor ieder registratieobject vinden op:
Nee, dit kan per definitie niet het geval zijn. De bronhouder is namelijk verantwoordelijk voor de juistheid van de aangeleverde data.
Wij zullen deze vraag neerleggen bij de VVMA en VKB als vertegenwoordigers van de branche adviesbureaus en milieuonderzoek.
De BRO-coördinator kan de omgevingsdienst hiertoe machtigen via het bronhoudersportaal BRO.
Foute datasets voldoen niet aan de gegevensstandaard en worden afgevangen bij de controles die het BRO-loket en de Landelijke voorziening doen voor aanlevering. Inhoudelijke fouten in de data worden daarmee niet afgevangen. Dat kan wel vooraf door inhoudelijke controle door de bronhouder of anders via terugmelding door gebruikers van de BRO.
De BRO maakt gebruik van GML-standaarden. Het BRO-profiel betreft GML 3.2.1 en gaandeweg is dat BRO-profiel uitgebreid richting het GML Simple Features Profile level 2, zie ook de website van Geonovum. In dit BRO-profiel zijn bepaalde randvoorwaarden opgenomen welke geometrie bijvoorbeeld aangeleverd mag worden. De “eis” aan een geometrie is niet iets dat door validatie gecorrigeerd wordt. De validatie geeft enkel aan of een geometrie wel of niet valide is. Wij corrigeren vanuit de Nazca Bodem applicatie wel problemen met interior en exterior rings “links om en rechtsom georiënteerde geometrie (donuts)”. Andere problemen zoals bijvoorbeeld “dubbele coördinaten”, “strikjes” kunnen niet geautomatiseerd opgelost worden. In Nazca Bodem wordt daarvan een melding gemaakt bij de betreffende entiteit. De geometrie moet dan handmatig door de gebruikers gecorrigeerd worden via intekenen direct of bv. het uploaden van een nieuwe shp-file. Daarnaast kunnen er (in ieder geval binnen Nazca Bodem) overzichten gedraaid worden van geometriefouten.
Hier is afstemming nodig tussen de gemeenten over wie de bronhouder BRO is. Daarvoor is in de ketenarchitectuur een voorstel gedaan om te bepalen wie de logische bronhouder is. Daarmee wordt ook opgelost dat er geen dubbele registratie van SAD in BRO optreedt (alleen de afgesproken bronhouder levert het SAD aan).
De bronhouder kan de dataleverancier machtigen voor het controleren en valideren van data in het bronhouderportaal. De bronhouder blijft wel verantwoordelijk voor de kwaliteit van haar data in de BRO.